Wandeltip: Ketliker Skar – 5 km

Kaart Ketliker Skar
Kaart Ketliker Skar

In het Ketliker Skar (1) is een rolstoelpad aangelegd met een lengte van 2 kilometer. Dit rolstoelpad start eveneens bij het hieronder beschreven startpunt. In het verste deel van het Ketliker Skar lopen Schotse hooglanders (4). Hoewel ze ongevaarlijk zijn, is het toch aan te bevelen enige afstand te houden, vooral als er kalfjes bij zijn. Je zult dan een alternatieve route moeten nemen door het bos of via een ander pad. Het gebied is heel overzichtelijk, verdwalen is eigenlijk niet mogelijk.

Startpunt:

Neem op de A32 afslag 10, Heerenveen-Zuid. Kies aan het einde van de afrit richting Mildam. Je rijdt nu op de N380. Rijd door Mildam. Na het bord “Einde Mildam” is het nog bijna 2 kilometer. Je ziet rechts van de weg een bord met het opschrift: “Infocentrum It Fryske Gea”. Op 100m na dit bord rechtsaf en via een smalle oprit naar de parkeerplaats. Let op: je rijdt er gemakkelijk voorbij.
Het adres van het infocentrum is: Schoterlandseweg 24a, 8455 JG Katlijk.

Routebeschrijving:
a. Ga bij het begin van het rolstoelpad linksaf en langs de afsluitboom. Je hebt nu links van je een dubbele houtwal. Let hier eens op de grillige vormen van de stobben van het eikenhakhout. De wallen zijn verderop mooi begroeid met mossen. Hier en daar zie je ook dalkruid en dubbelloof, een soort varen. Blijf rechtdoor lopen tot je over een bruggetje gaat. Direct na het hekje rechtsaf. De omgevallen beuk ligt er vanaf 2014. Voor hij omviel was hij al mooi begroeid met echte tonderzwammen. Die oude tonderzwammen zijn nu nog te zien. Het zijn de hoeden die verticaal staan. Na de val hebben zich nieuwe hoeden gevormd. Dit zijn de horizontale hoeden. Nieuw te vormen hoeden richten zich naar de zwaartekracht om er voor te zorgen dat de gaatjes aan de onderkant zitten, zodat de sporen naar beneden kunnen vallen. Dit verschijnsel heet geotropie. Je ziet het ook bij planten waar de wortels altijd naar beneden groeien en de rest van de plant naar boven.

b.  Aan het einde op het rolstoelpad linksaf. Waar het rolstoelpad naar rechts afbuigt, blijven wij rechtdoor gaan. Links van een paaltje met nummer 9 staat een boomstam vol spechtengaten. Het Ketliker Skar is een echt spechtengebied, in elk geval komen de grote bonte, de groene en de zwarte specht er voor. Nadat we een eindje gelopen hebben, zien we rechts een dicht en donker sparrenbos. Op de helling van de greppel tussen  pad en bos groeien verscheidene mooie exemplaren van de varen dubbelloof (2). Zodra we het sparrenbos gepasseerd zijn, gaan we rechtsaf, een graspad met enkele bankjes. Vanaf de bankjes hebben we uitzicht over een weiland waar in 1944 wapens gedropt zijn door de geallieerden. Direct achter de bankjes staan sitkasparren. Je herkent ze aan de naalden: groen aan de bovenkant en blauwgrijs aan de onderkant. Elke naald eindigt in een scherpe stekelpunt. Probeer maar eens zo’n krans van naalden te omvatten met je hand. Voorzichtig! Dit is werk voor een fakir. Let ook eens op de sparappels. De schubben zijn zacht en vliezig, heel anders dan dennenappels die hard en houtig zijn.

c. We negeren een pad naar rechts en lopen een eindje door een beukenlaan. Nog voor het einde van de laan gaan we bij een rood/blauw paaltje linksaf. Op een kruising rechtdoor en aan het einde linksaf. Nu op het einde rechtsaf en bij een rood/blauw paaltje linksaf het bos in. Je komt uit op een parkeerplaats. Steek de weg over en loop door tot de uitzichttoren (Tsjongertoer). Vanaf de toren heb je een prachtig uitzicht over de Tjongerdellen, de laag gelegen oeverlanden langs de Tjonger. Let hier op roofvogels: buizerds en kiekendieven.

d. We lopen terug naar de weg en gaan linksaf. We blijven even langs de weg lopen (Let op, men rijdt hier hard) en negeren het eerste pad naar rechts. Let op de slootranden links en rechts aan de wegkant. Die zijn ontoegankelijk gemaakt voor overstekende amfibieën. Er zijn twee doorgangen gemaakt waar ze veilig onder de weg door kunnen. Pas aan het eind van het “tweede bos” gaan we rechtsaf en door een klaphekje. Na het hekje lopen we door een laan met veel bomen die er slecht aan toe of dood zijn, onder anderen paardenkastanjes. In de herfst kun je hier veel paddenstoelen aantreffen, bijvoorbeeld oesterzwammen. Het gebied achter het dijkje is afgeplagd en voedselarm gemaakt. De heide komt er terug. Na enkele honderden meters zie je links achter het dijkje een plas. Langs deze plas groeit vrij massaal een heel zeldzame plant: moerashertshooi (3).

e. We steken het rolstoelpad over en gaan rechtdoor. (Als je op het rolstoelpad even linksaf gaat naar de picknicktafel zie je veel gagel, ook dichtbij de tafel.) Aan het einde met een scherpe draai naar rechts en verderop op het rolstoelpad linksaf. Waar het rolstoelpad splitst gaan wij rechtdoor. Via een veerooster komen we in een open gebied. Hier zien we ineens een grote diversiteit aan planten: kruipwilg, struikhei, stekelbrem, ruig haarmos (maart), jakobskruiskruid, wilde reseda enz. We blijven het rolstoelpad volgen en lopen achter de inforuimte langs. Hier heeft men buiten een ruimte aantrekkelijk gemaakt voor allerlei insecten. Steek voorbij het gebouw de open ruimte over en loop door over het rolstoelpad langs het rood/groene paaltje. Na 200m kom je uit bij de parkeerplaats.

Toelichting
1.
Ketliker Skar. Het gebied ligt op enkele kilometers ten zuidoosten van Heerenveen en is genoemd naar het dorpje Ketlik (Fries) of Katlijk (Nederlands). Ketliker Skar is de Friese en officiële benaming van het gebied. In het Nederlands wordt het Katlijker Schar genoemd. Skar of schar betekent een heideachtig, open terrein en zo zal het er vroeger ook wel uitgezien hebben. Het woord zal waarschijnlijk samenhangen met het feit dat men er vroeger zijn vee liet lopen. Het vee werd er dus inge”schaard”. Ook nu zien we wat kleinschalig heidelandschap, maar toch bestaat het gebied tegenwoordig grotendeels uit een schakering van stukken bos, lanen en ruige graslanden. Het gebied is langgerekt en smal, waardoor je telkens doorkijkjes hebt naar het omringende boerenland. Aan het einde van de negentiende eeuw werd het gebied in zijn huidige vorm aangelegd door de familie Buriema Oosting. De lange, rechte lanen geven het bos iets statigs, maar het ging de eigenaar niet alleen om het aanzicht. Houtproductie en jacht maakten het gebied functioneel. Heide en een enkele open plek werden omgevormd tot weiland. Een deel van de heide werd gespaard. In 1969 werd het gebied overgenomen door It Fryske Gea.

2. Dubbelloof is een soort varen die zijn naam te danken heeft aan de vorming van twee soorten bladeren. In de voorzomer verschijnen eerst de onvruchtbare bladeren. Op deze bladeren vind je geen sporen. Ze vormen een rozet met overhangende bladeren die brede bladslippen bezitten. Pas later komen in het midden van de rozet enkele vruchtbare bladeren tevoorschijn. Ze groeien steil rechtop en bezitten smalle bladslippen waardoor ze lijken op een visgraat. Aan de onderkant van elke bladslip worden sporenhoopjes gevormd. Dubbelloof is een kalkmijdende plant die je soms tegenkomt op houtwallen, maar het vaakst vind je hem op slootkanten en greppels in bossen op plaatsen waar de grond het hele jaar vochtig blijft.

3. Moerashertshooi Is een bijzonderheid van het Ketliker Skar. In het zuidoosten van ons land komt deze plant voor, maar is daar zeldzaam. In het Drents district (een plantengeografisch district waaronder het Ketliker Skar valt) is moerashertshooi zeer zeldzaam. Het is daarom heel bijzonder dat je dan langs bovenvermelde plas ineens vele vierkante meters overdekt ziet met deze kruipende plant. Moerashertshooi bloeit met kleine gele bloemen die de vorm van een trompet hebben en slechts open gaan op warme zomermiddagen. De plant groeit op open plaatsen langs vennen met een wisselende waterstand.

4. Zoogdieren. Het is geen grote uitzondering om in de omringende weilanden reeën te zien lopen. In het gebied zelf loopt een kleine kudde damherten. Ze zijn schuw en laten zich maar zelden zien. In het bosgebied bevindt zich een dassenburcht en soms kun je graafsporen van dassen vinden. Aangezien het schuwe nachtdieren zijn, zul je er waarschijnlijk overdag nooit een tegen komen. Meer kans heb je op een eekhoorn of een haas. Uit de aanwezigheid van molshopen blijkt dat de mol in het gebied voorkomt. Een egel heb ik er nooit gezien, maar zal ongetwijfeld wel aanwezig zijn. De Schotse Hooglanders kun je niet over het hoofd zien, zou je denken, maar merkwaardig genoeg zijn ze soms toch onvindbaar.

Wandeltip + foto’s Theo van de Graaf